De kroniek van Sint-Martens-Latem

De kroniek van Sint-Martens-Latem

Waar kunstenaars zich aan de Leie verenigden

SINT-MARTENS-LATEM SPREEKT TOT DE VERBEELDING: DE PITTORESKE GEMEENTE IS GEZEGEND MET EEN SCHILDERACHTIGE DORPSKERN, GESIERD DOOR AUTHENTIEKE GEVELS EN GEPLAVEID MET ORIGINELE KASSEIWEGEN. HET HOEFT NIET TE VERBAZEN DAT DE DORPSKERN DAN OOK ALS MONUMENT WERD GEKLASSEERD. HET CENTRUM WORDT DOORSPEKT ÉN OMRINGD DOOR PRACHTIGE NATUURLANDSCHAPPEN DIE U IN DE VERSTE VERTE NIET DOEN VERMOEDEN DAT U ZICH OP AMPER TIEN KILOMETER VAN GENT BEVINDT. MAAR HOE ZAG SINT-MARTENS-LATEM ERUIT VÓÓR HET EEN RESIDENTIËLE OMGEVING MET EXCLUSIEVE VILLA’S WERD? WIJ NODIGEN U UIT VOOR EEN REIS DOORHEEN DE RIJKE GESCHIEDENIS VAN HET KUNSTENAARSDORP.

Eerste vondsten

De eerste verwijzingen naar Sint-Martens-Latem en deelgemeente Deurle dateren van de 12de eeuw na Christus. Er werden echter enkele neolithische bijlen en materiaal uit de ijzertijd gevonden die aantonen dat de regio al in de prehistorie werd bezocht.

Latem en Deurle in de middeleeuwen

Tijdens de middeleeuwen was er nog geen sprake van Sint-Martens-Latem. Het grondgebied van Latem en Deurle werd toen verdeeld over verschillende heerlijkheden. De belangrijkste heerlijkheid in Deurle was ‘s Graven Hazele, gevolgd door de heerlijkheden van Nevele en van de Broeckstraete. Latem was verdeeld over de heerlijkheden van de Sint-Baafsabdij, de Overmeers, ’s Graven Hazele en een enclave die deel uitmaakte van de heerlijkheid van Nevele. De middeleeuwen waren voor Latem en Deurle een bewogen tijdperk van oorlog en vernieling. Deze periode kende een start in 1578, toen zo’n 200 boeren uit de omgeving werden verslagen door de Walen. In de 17de eeuw werd de streek geteisterd door de oorlogen van de Franse koning Lodewijk XIV. Het dieptepunt voor Deurle volgde in 1675, toen Lodewijk XIV er met zijn leger kampeerde en grote schade aan de landbouw berokkende. Een volgende reeks van verwoestingen volgde bij de belegering van Gent in 1708. Op het eind van de 18de eeuw werd een burgerlijk bestuur ingevoerd en in 1814 werd het Zuiden met de Noordelijke Nederlanden verenigd. Vanaf dan keerde de rust min of meer terug en was de streek vooral actief in landbouw.

Van landbouw- naar kunstenaarsdorp

Vanaf het begin van de 20ste eeuw krijgt Sint-Martens-Latem artistieke aandacht dankzij Albijn Van den Abeele (1835-1918). Na zijn politieke carrière als gemeentesecretaris en later als burgemeester van Sint-Martens-Latem, legt hij zich toe op de schilderkunst. Zijn werken – waarheidsgetrouwe weergaves van natuurlandschappen in de buurt – gooien hoge ogen bij tal van collega-kunstenaars, die vinden dat zijn werk wordt onderschat. Hij staat aan de basis van de Latemse kunstenaarsgroepen en fungeert als gastheer voor kunstschilders Valerius de Saedeleer, Albert Servaes, George Minne en Gustave van de Woestyne.

Sint-Martens-Latem had een bijzondere aantrekkingskracht op verschillende Vlaamse kunstschilders zoals Permeke.

Samen vormen ze de eerste groep van de zogenaamde Latemse Scholen en zetten ze zich af tegen het impressionisme. Ook Karel, dichter en broer van laatstgenoemde, voegt zich bij de groep. Later doet ook Emile Claus zijn intrede en introduceert hij luminisme in de groep. Enkele jaren later ontstond een tweede groep met onder andere expressionisten Constant Permeke en Gust De Smet, en een derde groep met onder meer Jozef De Coene, Arthur Deleu en Hubert Malfait. De groepen hebben jarenlang de Belgische kunst volledig beheerst en gaven Sint-Martens-Latem voor altijd de naam van kunstenaarsdorp. Vandaag zijn tal van hun werken tentoongesteld in Museum Dhondt-Dhaenens.

What’s in a name

De naamgeving van de gemeente ontstond in de 5de of 6de eeuw. Latem – vroeger Lathem – is een afgeleide van lata haim, wat zoveel betekent als de nederzetting van de laten (slaven). In de 16de eeuw werd de naam van parochieheilige Sint-Martinus toegevoegd om een duidelijk verschil te maken tussen tussen Sint-Martens-Latem en de dorpen Maria-Latem en Paulatem.