Ook couture vertrekt immers van een vlak oppervlak: stof. Door plissé, drapering, knopen en constructie krijgt die stof volume en beweging rond het lichaam. In de collectie worden die technieken niet louter decoratief ingezet, maar bijna sculpturaal. Silhouetten lijken opgebouwd uit beweging; materialen vouwen zich rond het lichaam en veranderen voortdurend van vorm. De kleding wordt zo niet alleen gedragen, maar krijgt een bijna architecturale aanwezigheid.
Benglis’ jarenlange band met Ahmedabad, in de Indiase deelstaat Gujarat, vormt een tweede belangrijke inspiratiebron. Tijdens haar verblijven in de stad raakte de kunstenares gefascineerd door pauwen, wat eind jaren zeventig leidde tot haar kleurrijke Peacock-reeks. Dior vertaalt die uitbundigheid naar heldere kleuren, florale motieven en verfijnde kralenborduursels die een speels contrast vormen met de meer sculpturale stukken.
Van daaruit verdiepte Anderson zich verder in het rijke Indiase ambacht. Bijzondere aandacht gaat naar chintz, de fijngeweven katoenen stoffen die vanaf de achttiende eeuw met de hand werden beschilderd of via blokdruk van motieven voorzien. Deze stoffen oefenden eeuwenlang een grote invloed uit op de Europese decoratieve kunsten. Voor de collectie werden antieke fragmenten van chintz en indiennes gezocht bij gespecialiseerde handelaars. Ze verschijnen onder meer op de Petit Dîner- en mini Lady Dior-tassen, waar historisch textiel wordt verweven met een van de meest herkenbare codes van het modehuis.
Naast Ahmedabad kijkt Anderson ook naar Santa Fe in New Mexico, waar Benglis een woning en atelier heeft. De twee landschappen konden nauwelijks sterker van elkaar verschillen: de weelderigheid en kleur van India tegenover het droge klimaat en het kristalheldere licht van de Amerikaanse woestijn. Net dat contrast intrigeert Anderson. Bloemmotieven, texturen en kleurgebruik bewegen tussen beide werelden en geven de collectie een gelaagd karakter.
Het resultaat is een Dior-collectie waarin kunst, ambacht en couture voortdurend in dialoog gaan. Historische technieken ontmoeten hedendaagse vormen, verfijning staat naast uitbundigheid en het zachte karakter van textiel krijgt de kracht van een sculptuur. Anderson kijkt daarbij niet nostalgisch naar het verleden, maar gebruikt traditionele technieken en artistieke referenties als vertrekpunt voor iets nieuws.
FW26/27 toont zo een Dior die tegelijk intellectueel en zintuiglijk aanvoelt: kleding om van dichtbij te bekijken, maar vooral om in beweging te zien. Een collectie waarin stof, kleur en vorm voortdurend veranderen, en waarin couture opnieuw bewijst dat ze evenzeer kunstvorm als kleding kan zijn.